Het is feest

 

 

Blieb.

In het holst van de nacht, met alleen de zwaailichten aan, reed de ambulance naar het ziekenhuis. Henrik lag aan het zuurstof en de verpleger naast hem had net zijn bloeddruk opgenomen.

´Hij is buiten westen, waarschijnlijk in coma´ hoorde Henrik de man zeggen.

´Krijg nou wat´ dacht hij, droom ik soms?

Hij wilde de verpleger aanspreken maar er gebeurde niets. Zijn mond ging niet open en er was geen geluid terwijl Henrik echt wat zei:

´Mag ik naar huis?´

Het was 4 oktober 1997, Henrik was op weg naar een ziekenhuis in een ziekenwagen, hij kon alles horen maar verder kon hij niets blijkbaar.

´Tja, het is een ouwe lul, alles lijkt normaal maar hij doet geen bek open. Hij reageert nergens op. Zet de koffie maar klaar, we hebben zo pauze´ zei de verpleger door de mobilofoon.

Zet de koffie maar klaar, we hebben zo pauze? Ik doe geen bek open?

Henrik probeerde zijn ogen te openen en zag Elisa een taart aansnijden. Zijn Elisa was dol op taart. Elke keer als er wat te vieren was dan was er taart. Veel taart. Want er viel altijd wel wat te vieren met Elisa. Hij keek Elisa aan en zij glimlachte terug.

´Wil je met of zonder slagroom?´

Dat vroeg ze altijd terwijl zij wist dat hij niet van slagroom hield.

´Doe maar met, lieverd, je weet dat ik daar van hou.´

Elisa pakte een theelepel en topte wat slagroom op de appeltaart.

´Net als toen, ik wilde het niet maar het was er wel´ dacht Henrik.


Blieb

De Moka Efti in de Bellevuestrasse was afgeladen vol, de Berlijners wilden wel een verzetje, de muziek was gelukkig niet te hard, want Walter Kunz speelde en het ging er al luid genoeg toe daar in Berlijn en Walter wist dat, geen lawaai maar gecultiveerde fluisterende zondagsmuziek, dat was de bedoeling, er was genoeg te bespreken maar de ziel wil rustig gekoesterd worden.

Henrik en zijn vriend IJsbrand hadden met zijn tweeën een tafel voor vier en zaten met een biertje in de hand om zich heen te kijken. Een gemiddelde zondag, dat was het, veel uniformen en keurig geklede dames erbij, nippend aan een glaasje wijn en om zich heen kijken was de norm. Er werd wat heen en weer geknikt en de strepen op de uniformen werden vergeleken. Hoe meer strepen hoe dichter bij het orkest van Walter Kunz.

Henrik en IJsbrand zaten helemaal achterin en keken naar buiten. Het was zomer, druk en warm. Een mooie zondag, het was 18 juli 1943.

Het kamp (Lager) was verder wel goed maar er ging niets boven een dagje centrum. Vanaf station Wilhelmsruh met de S-Bahn naar de stad. Wat drinken, een beetje keten en dan weer terug naar huis. Zo ging het al een paar weken.

 

Henrik en IJsbrand deelden dezelfde kamer. Zij kwamen allebei uit dezelfde stad maar IJsbrand was drie jaar ouder dan Henrik en IJsbrand had een beroep, bouwkundig tekenaar, maar Henrik nog niet.

Zij werkten allebei voor de Argus Motorenwerken in Reinickendorf in het noorden van Berlijn.

Maar vandaag was een vrije dag en ze konden gaan en staan waar ze wilden maar mochten (gezien hun stempels in de paspoorten) Berlijn niet uit. Dat was het lot van deze dwangarbeiders. Henrik was de Moka Efti in een notitieboekje aan het tekenen.

´Jij kan wel verdomd mooi tekenen´ zei IJsbrand.

´Dat is misschien wel het enige wat ik kan, en daar komt bij dat ik daar mijn beroep van wil maken.´ antwoordde Henrik en nam een slok.

´Van tekenen?´

´Van tekenen.´

´Ik zal Jaite eens vragen´

´Wie is Jaite?´ vroeg Henrik.

´Jaite is de chef tekenkamer, als hij dat goed vindt dan krijg je een opleiding, zowel van mij als van hem.´

Henrik nam een slok en bestelde nog twee bier.

´Bestaan engelen? vroeg Henrik.

´Hoezo?

´Er komt er een binnen´ zei Henrik.

 

 

 

Een jonge vrouw in uniform met een Leica camera om haar nek kwam binnen. Zij leek iemand te zoeken, keek om zich heen en haar blik viel op twee jonge mannen aan een tafel met nog twee vrije stoelen, de rest van de Moka was vol.

De jonge vrouw had een afspraak met haar oom die een hoge functie had in de regering maar zij zag hem nergens, ook niet bij het orkest want gezien zijn strepen had hij daar moeten zijn.

Zij zag een donkerharige en een blonde man zitten die haar sprakeloos aanstaarden.

Maar zij was wel wat gewend:

´Pardon heren maar mag ik hier even zitten, ik verwacht iemand maar het is hier heel vol.´

De beide heren knikten en zij ging zitten.

´Mijn naam is Elisa, aangenaam´

´Wilt u wat drinken?´ vroeg IJsbrand.

´Of iets eten?´ vulde Henrik aan.

´Ik wil wel een kop thee met appeltaart en slagroom maar ik bestel het zelf wel, doet u geen moeite´

´ Maar heeft u beiden ook een naam? vroeg zij belangstellend.

´IJsbrand en Henrik, aangenaam kennis te maken.´ Henrik had ineens een piepstem.

´Ah, u komt uit Zweden?´ vroeg zij.

´Nee, uit Amsterdam, Holland´ vertelde IJsbrand.

Elisa keek de beide mannen aan, zij had nog nooit mensen uit Amsterdam ontmoet en de eerste kennismaking beviel haar wel.

Elisa hield van gevoelige en directe mannen, waarschijnlijk omdat ze die niet zo vaak tegen kwam.

´En wat brengt u hier?

´Wij werken op de ontwerpafdeling van Argus Motorenwerke in Reinickendorf.´

´U bent ingenieur? ‘vroeg Elisa met ietwat meer bewondering in haar stem.

´Ja, dat zijn wij.´ was het antwoord van Henrik.

IJsbrand keek Henrik aan en begon te lachen.

´Ja dat zijn wij.´

 

 

Henrik keek in haar grote bruine ogen en dacht: ben ik hier voor naar Berlijn gestuurd?

Bestaat er zoiets als het voorbestemde, het bruine-ogen-complot, de eeuwige honger naar een mooi mens die appeltaart met slagroom bestelt?

Voor de deur stopte een aantal motorrijders en daarachter een grote limousine. Een echte Mercedes met van die rode vlaggetjes met zwarte tekens er op.

Een man, in een blinkend uniform, stapte uit.

Alles viel stil, het orkest van Walter Kunz kwam langzaam tot stilstand omdat de blinkende man de Moka Efti binnenliep.

De strepen en hun dames stopten de conversaties.

De man, met donkere ogen en een angstaanjagende uitstraling, in een vlijmscherp gestreken en dus smetteloos pak liep de Moka in. Zijn blik was gericht op het doodstille orkest en de grijze strepenpakken en hun vrouwen die hem doodstil aankeken.

Zijn ogen dwaalden over het publiek tot hij stil hield bij Elisa.

´Hallo moppie´

De admiraal ging naast haar zitten, recht tegenover Henrik en IJsbrand. Het orkest kwam vrij snel weer op gang met te beginnen het Horst Wessel lied en ging snel over op wat Beierse deuntjes en de strepen schonken hun vrouwen weer een wijntje in. Het was een echte warme dag dat was wel duidelijk.

IJsbrand en Henrik staarden naar hun glaasjes bier.

´Lieve Elisa, het spijt mij dat ik wat laat ben maar ja, je weet het, staatszaken gaan voor. Er was wat gedoe met een opstand maar dat is opgelost.´

Elisa had intussen een hap genomen van haar appeltaart met slagroom. Met haar theelepeltje snoepte ze wat slagroom van haar taart en keek haar oom wat dromerig aan.

´Ach oom, zo zijn de dingen´

De admiraal keek naar de twee mannen tegen over zich.

´Wie zijn deze mannen, ken je ze?´

´Oh ja, het zijn twee ingenieurs van de Argusfabriek in Reinickendorf.´

De admiraal richtte zich rechtstreeks naar IJsbrand en Henrik.

´Ingenieurs zijn de helden van ons rijk, ik neem aan dat u partijlid bent.´

Voordat Henrik of IJsbrand iets konden zeggen nam Elisa het woord.

´Zij komen uit Amsterdam en zij heten IJsbrand en Henrik.´

´Dat is prachtig, buitenlandse ingenieurs die ons rijk dienen voor de uiteindelijke overwinning, dat gaan wij vieren´

De admiraal bestelde onmiddellijk een fles Champagne. Daarbij, hij was de gierigste niet, kwamen de obers onmiddellijk met allerlei champagegevoelige hapjes aanlopen en zo aten de twee ingenieurs voor de eerste keer in hun leven kaviaar, Noorse zalm en bovendien nog eens Boliviaanse lamsboutjes, geserveerd in een dressing van diverse kruiden die toen nauwelijks verkrijgbaar was maar dat wisten de ingenieurs natuurlijk niet.

Na de champagne en het overvloedige voedsel nam Henrik spontaan het woord:

´Beste Elisa en geachte admiraal, wij zijn u heel dankbaar voor wat u ons geeft. Wij zijn, als ingenieurs, voornamelijk geïnteresseerd in de techniek en niet zozeer in de politiek. Wij hebben onze eigen verantwoordelijkheid. De techniek gaat door, oorlog of geen oorlog, De mensheid heeft meer aan technologische vooruitgang dan aan (Henrik nam een slokje Champagne) tijdelijke situaties. Als wij eens kijken naar bijvoorbeeld de ontwikkeling van het vliegtuig dan zien we dat wij domweg de natuurwetten kunnen tarten, wij kunnen daar op zo´n manier gebruik van maken dat we misschien in de toekomst sneller dan het geluid kunnen vliegen, woningen zo kunnen bouwen dat winter of zomer niets meer uitmaakt, auto´s bouwen die zich zelf sturen, mensen voeden zonder problemen.´

Henrik nam nog een slok. De admiraal had intussen geamuseerd nog een tweede fles Champagne besteld en de hapjes bleven maar doorkomen. De beide ingenieurs keken uiteindelijk wat beneveld maar ook benauwd uit hun ogen.

Elisa keek Henrik op een bepaalde manier aan, ´wat een vent´, dacht zij.

De admiraal beoordeelde intussen de alcoholische staat van de beide ingenieurs en nam een realistisch besluit.

 

´Beste ingenieurs, het spijt mij enorm dat ik u in deze, voor u waarschijnlijk onbekende, toestand heb gebracht. Ik moet nog wat met mijn Elisa bespreken en ik ga er voor zorgen dat u op tijd naar huis komt om morgen uw kennis weer op voldoende niveau toe te passen bij Argus.´ zei hij met een geamuseerd blik in de ogen.

De admiraal knipte met zijn vingers en een motorsoldaat verscheen en de admiraal vroeg aan de ingenieurs:

´Waar woont u?´

IJsbrand had het goede antwoord,

´Roedernallee 34 Reinickendorf´

´Ah, al goed, de oude Graf Roedernallee zult u bedoelen maar dat maakt niet uit.´

´Adjudant, breng deze heren onder escorte naar de Roedernallee 34 en snel.´ mompelde de admiraal.

Henrik gaf het goede voorbeeld, hij gaf Elisa een handkus en de admiraal een hand. IJsbrand zwaaide wat zenuwachtig naar beiden en zo werden de heren onder motorescorte met loeiende sirenes in een limousine terug gebracht naar hun Lager van de dwangarbeiders.

 

Bliep!

De ambulance had intussen ook de sirene aangezet want de verpleger had geconstateerd dat het hartritme van Henrik enorm was toegenomen 

Maar Henrik was misschien wel wat zwakker maar de taart van Elise bleef maar in zijn kop rondspoken.

Zijn hart klopte van liefde. Niet voor de taart maar voor de vrouw die daar zo maar binnenliep en zijn leven voorgoed zou veranderen.

Maar mijn lief, waarom zwaai je naar mij, waarom kijken je bruine ogen mij zo aan, ik ben nu even onderweg maar wij komen weer bij elkaar? Dat kan niet anders want wij hebben een geheim verbond dat weet je toch? Weet je het nog? De branden in de straten, de smerige lucht, de lijken die uit de ramen hingen, weet je nog van die tafel met stoel, schrijfmachine met een stuk papier er in die we op straat zagen na een bombardement? De schrijver was al dood, hij lag 10 meter daar vandaan helemaal verkoold maar zijn buitenactiviteiten zouden hem kunnen redden en dat is niet gelukt.. De tekst op dat stukje papier was veelzeggend:

Ik tik mij rot om de ellende hier te beschrijven maar we zijn geen officiële helden en zelfs als wij dat waren is de mensheid altijd gedwongen te lijden door het vunzige spel van de machthebbers in een tijd die niet de onz

Hij heeft zijn teksten niet kunnen afmaken en intussen zit ik in een ambulance die is uitgevonden om mij van jou weg te halen zoals die dode schrijver van zijn plek is gehaald door de Tommy’s.

Er is niets veranderd, niemand wil mij horen zien of zwijgen, de boel is stuk, ik lig in een auto met de sirene aan en de verpleger wil koffie.

Die eerste kus, daar in Tiergarten, in het park bij de Siegessäule, zoveel later dan wij allebei wilden,  is voor altijd mijn beste herinnering, of je dat nu wilt of niet. Mijn Elisa, waar ben je nu?

 

Bliep!

 

De volgende dag, het was 6 uur in de ochtend, ramde de huismeester met zijn knuppel tegen de deur. Tijd om op te staan. Henrik voelde aan zijn hoofd, keek om zich heen en staarde IJsbrand, die ook nog in zijn bed lag, verbaasd aan.

Het was al licht en de vogels kwetterden dat het een lieve lust was.

´Wat een tyfusherrie op de vroege ochtend´

(en dat terwijl er die nacht geen bombardementen waren geweest)

Henrik stond op en liep naar de keuken om theewater op te zetten. Tijdens het scheren, wat redelijk goed ging ondanks zijn waterige ogen, overdacht hij de afgelopen dag in de Moka. Hij maakte thee voor acht personen, zette het brood op tafel en liep terug naar de gedeelde kamer waar de mannen zich uitrekten en zich zuchtend in hun kleren hesen.

Om kwart voor 7 liepen de mannen in groepjes naar de fabriek. Zij passeerden dan ook het ´Jodenkamp´ waar ze nooit iemand zagen omdat de poort altijd dicht was omdat die dwangarbeiders binnendoor naar Argus gingen en dus nooit op straat kwamen. Zij liepen de straat uit en sloegen linksaf de Flottenstrasse in en bij nummer 42, bij de hoofdpoort, sloeg IJsbrand af naar de tekenkamer die in de rechtervleugel op de eerste verdieping was en Henrik ging rechtdoor naar de fabriek. Zoals altijd staken ze hun hand op en riepen: Heil Zaam en viel spatjes!

Toen Henrik bezig was met de bekisting van een nieuwe vliegtuigmotor (die ging naar Tegel, de iets verderop gelegen Luftwaffe-basis en de vliegtuigfabriek van Heinkel) kwam Johan Richter naar hem toe en vertelde Henrik dat hij onmiddellijk bij de directeur moest komen.

Dat was meestal geen goed nieuws.

Vooral omdat er wel drie directeuren waren. Zijn maat IJsbrand zat bleekjes tegenover de heren.

Henrik ging naast IJsbrand zitten en keek naar zijn vieze timmermanshanden. ´Toch mooi dat handwerk´ dacht hij.

´Gisteravond om zeven uur werd u in een staatslimousine afgeleverd op uw huisadres. U werd begeleid door speciale commando´s van de SS en deze helden waren zo vriendelijk u in uw bed te stoppen omdat u nauwelijks meer op uw benen kon staan. Afgezien daarvan zong u liederlijke teksten en dat weten wij omdat een collega van u dat dat heeft gehoord en uw gezang voor ons in het Duits heeft vertaald.´

De algemeen directeur pakte een papier van tafel en een vertaler begon voor te lezen:

Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan, hola, holé, we nemen er nog twee.

Foekepotterij, foekepotterij geef me een cent en ik ga voorbij.

Ik heb geen geld om brood te kopen Daarom moet ik met de foekepot lopen.

Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan.

De algemeen directeur keek op:

´Nadat u (en hij keek naar Henrik) ook nog eens de adjudant ´Elisa´ noemde is tot daar aan toe maar een verontschuldiging voor het onderkotsen van de limousine kon er blijkbaar niet meer vanaf.

De chauffeur en de beheerder zijn een half uur bezig geweest om de auto weer schoon te krijgen.´

En dat met de wagen van de admiraal!

Henrik keek op en zag zes ogen op hem gericht.

(goddomme wat nu?)

´Wij hadden teveel gedronken en dat zijn wij niet gewend.´

´Boliviaanse lamsboutjes gaan nu eenmaal niet goed met champagne.´

´En dat met die warmte in een volle zaal.´

´Van onze ingenieurs verwachten wij ander gedrag, u heeft hiermee Argus Motorenwerken in een vreemd daglicht geplaatst.´

(goddomme, ze weten alles dacht Henrik)

Op dat moment ging het luchtalarm af.

De heren keken elkaar aan, pakten hun papieren en verlieten de kamer.

´Wij komen hier op terug.´ zei de algemeen directeur nog. De deur knalde dicht maar even later hoorden ze bulderend gelach in de gang.

IJsbrand keek Henrik aan.

´Zijn die luchtaanvallen toch nog ergens goed voor.´

´Hoe weten ze van ons ingenieursverhaal? vroeg Henrik.

´Zij weten alles.´

´Hoe gaat dit aflopen?

´Geen idee.´

´Die linker was Jaite, de directeur van de tekenkamer, mijn baas dus en die is wel oké.´ fluisterde IJsbrand.

Omdat het tweede luchtalarm afging hadden zij nog tien minuten om naar de speciale schuilkelders voor de dwangarbeiders te gaan. Deze waren bovengronds en niet al te best maar toch verlieten zij ook de kamer.

Toen ze daar aankwamen begon het Flakgeschut te knallen en even later vielen de eerste bommen van 19 juli op het centrum van Berlijn. Henrik zag de rookwolken in de verte en prijsde zich gelukkig dat het bij hem allemaal wel meeviel.

De volgende dag moest Henrik zich weer melden in de directiekamer. De situatie was net even anders. IJsbrand zat er, maar er was maar één directeur: Jaite.

Er was koffie en koek, Henrik ging wat ongemakkelijk zitten.

Jaite begon met een monoloog over het goede werk wat Argus leverde. Zonder Argus geen motoren en zonder motoren geen vliegtuigen (en zonder vliegtuigen geen bombardementen dacht Henrik).

De fabriek was ooit in handen van een Jood maar die was vertrokken naar Amerika. Argus was nu een volledig Duits product en daar was de directeur trots op.

´Ik begrijp van IJsbrand dat u goed kan tekenen´. Opende Jaite het sollicitatiegesprek.

Het gesprek verliep als een soort droom, Henrik vertelde over zijn wens om architect te worden, zich in te zetten voor het goede doel. IJsbrand vulde het aan met voorbeelden van hoe zij al samenwerkten en toen viel er een stilte.

´Jullie samenwerking is ons een paar dagen al bekend. De admiraal heeft ons gebeld en, omdat hij Argus niet zo goed kent komt hij volgende week op bezoek. Wij zijn jullie dankbaar, stelletje ingenieurs! grijnsde Jaite.

Op dinsdag 20 juli 1943 om half tien begon een nieuw leven voor Henrik. Hij werd tekenaar bij Argus Motoren Werken, kreeg 3x meer salaris dan voorheen en hij zou de eerste stap zetten naar zijn vele carrières die net even anders zouden zijn dan hij toen hoopte.

Bliep!

Bliep!

 

Mit Nach Bei Zum Aus.

Lala Elisa, wo bist du?

Haar vuur verspreidt zich wel maar ik voel even niets.

La Elisa, waar ben je? Je mooie gezicht en altijd die stijlvolle kleding, je kennis van muziek, zing zing voor me, geef mij troost, laat mij lachen!

Ik wil weer met je dansen en de wereld voorgoed op zijn kop zetten. De wereld is nu vaag geworden, mijn ogen doen het niet meer goed maar een dans geeft mij weer moed.

Weet je nog? De muziek in de Moka Efti? Je moest altijd vroeg op en daarom maakten we het nooit laat. Swing Tanzen verboten maar het was prachtig mijn Elisa!

 

Bliep!